Zelf visuele problemen tijdig herkennen


De symptomen van scheelzien en/of lui oog zijn niet altijd even duidelijk te herkennen, zeker bij kinderen. Bij gebrek aan ervaring weten kinderen immers niet altijd wat ze ‘horen’ te zien. Als ze altijd gebrekkig en instabiel zicht hebben ervaren, is die manier van zien voor hen ‘normaal’. Bovendien ontbreekt het ze vaak aan woordenschat om aan de alarmbel te trekken. Waakzaamheid van een ouder of onderwijzer is dus geboden!

Het herkennen van de eerste tekenen zal je in staat stellen het visuele probleem vroegtijdig te laten behandelen en jouw of je kinds visuele functionaliteit te optimaliseren en verder uit te bouwen. Alle kinderen en volwassenen zouden de kans moeten krijgen zonder onnodige visuele obstakels hun potentieel na te streven.

Hoe uit visueel ongemak of een visueel probleem zich bij kinderen van 0 tot 6 jaar oud?

Meer dan 98% van alle pasgeborenen komt op de wereld met gezonde ogen en met de mogelijkheid goed te leren zien. Niettemin zijn gezonde ogen geen garantie dat een kind in staat zal zijn de ogen efficiënt te gebruiken om zo te begrijpen wat het ziet. 

Ouders worden vaak gealarmeerd wanneer zij bij hun baby een oogje zien wegdraaien (meestal naar de neus toe). Dit komt dikwijls voor bij baby’s (tot circa 6 maanden) waarbij de neusbrug nog erg plat en breed is. Dit geeft een misleidende indruk.

To-to-tip

Met een kort testje kan men zelf controleren of verder onderzoek nodig is. Men kijkt naar de reflecties van bvb een penlight in de pupillen. Als beide reflecties gecentreerd staan in de pupil en symmetrisch ten opzichte van elkaar, is er geen aanleiding tot ongerustheid. Als de reflecties niet in het centrum van de pupil staan en asymmetrisch zijn, is het best een bevoegd persoon in te schakelen.

Observaties

Andere indicaties dat verder visueel onderzoek nodig is bij peuters:

  • vastgeplakte oogharen en/of oogleden
  • snel tranende ogen
  • neerhangen van één of beide oogleden
  • één oog draait naar binnen of buiten bij vermoeidheid
  • overmatig wrijven in de ogen
  • ontwijken van fel licht of er hoofdpijn van krijgen
  • vaak een oog sluiten
  • regelmatig de ogen half dicht knijpen
  • dicht bij TV gaan zitten

Het is zinvol om tijdig een funtioneel visueel onderzoek te laten verrichten, zodat je verdere onnodige belasting van je kind en een eventuele serieuzere visuele ontwikkelingsstoornis zoals voortdurend scheelzien en/of lui oog kan voorkomen.

Wil je meer weten over hoe een kind zich visueel ontwikkelt, bekijk dan onze visuele-ontwikkelingsmijlpalen-pagina en visuele-vaardigheden-pagina.

Visuele problemen bij schoolkinderen, tieners en volwassenen

Visuele problemen worden meestal opgemerkt in schoolverband of op het werk. Een goede visuele functionaliteit is van cruciaal belang om goed te kunnen lezen en leren op school en om een degelijke productiviteit te kunnen aanhouden op het werk. Hierna volgt een beknopte opsomming van gedragingen of indicaties die kunnen wijzen op een binoculair visueel probleem.

1. Oogbewegingsproblemen

Een goede oogbewegingsvaardigheid stelt het kind in staat om aangeboden materiaal visueel te beoordelen en te ‘scannen’, waardoor in korte tijd en met weinig energie zo veel mogelijk informatie wordt verkregen.

Indien de oogbewegingen traag, ongecoördineerd of schoksgewijs verlopen, of wanneer ongewild te veraf of te dichtbij wordt gekeken, zal het kind minder informatie opnemen.

Observaties

Uitingen van oogbewegingsproblemen kunnen zijn :

  • het hoofd draait mee tijdens het lezen
  • het kind weet (vaak) niet meer waar met lezen werd gestopt
  • een vinger, liniaal of ander hulpmiddel wordt gebruikt om tijdens het lezen bij te wijzen
  • de leessnelheid is (te) traag
  • tijdens het lezen kan de aandacht niet worden vastgehouden
  • (vaak) worden woorden overgeslagen tijdens het lezen
  • bij het lezen worden regels overgeslagen zonder dat het kind dat opmerkt
  • vaak worden letters verwisseld
  • bij het schrijven wordt (vaak) onder of boven de lijn geschreven

2. Oogsamenwerkingsproblemen

Indien beide ogen en hun respectievelijke oogspieren perfect samenwerken, leidt dit tot het vormen van één beeld (fusie) en robuust diepte- of stereozicht. Normaal gesproken ontwikkelt de oogsamenwerking zich al tijdens het eerste levensjaar en blijft die verder verbeteren naarmate het kind ouder wordt. Als de oogsamenwerking op die leeftijd niet goed tot stand gekomen is en die persoon (af en toe) scheel ziet en/of lui oog heeft, zal het stereozicht zwak of zelfs volledig afwezig zijn. Stereozicht is een erg belangrijke visuele vaardigheid en is een fundamentele bouwsteen die zorgt voor een goede visuele samenhang en visuele stabiliteit. Stereozicht heeft ook een impliciete sturende functie voor het gros van onze lichaamsbewegingen en voor de manier waarop we interageren met onze omgeving. Kinderen die geen of zwak stereozicht hebben, lijken daarom vaak onhandig of onbeholpen in hun motorische coördinatie. Het immense verschil tussen zien met of zonder stereozicht wordt uitvoerig beschreven in het boek ‘Diepte Leren Zien’ door Susan Barry.

Observaties

Uitingen van samenwerkingsproblemen tussen beide ogen kunnen zijn :

  • troebel zien bij het wisselen van de kijkafstand (veraf-dichtbij),
  • af en toe dubbel zien (bijvoorbeeld tijdens het lezen),
  • één oog (met de hand) bedekken of sluiten bij het lezen of in de verte kijken,
  • bij het schrijven letters in een woord herhalen,
  • bij het rekenen de cijfers/getallen niet recht onder elkaar zetten,
  • het hoofd erg schuin houden,
  • vaak van houding veranderen bij het dichtbij werken in een poging visueel comfort te vinden,
  • klagen over dansen van de letters op de bladzijde,
  • snel vermoeid raken bij ingespannen kijken,
  • klagen over (over)gevoeligheid voor licht,
  • onhandigheid, omstoten van dingen, tegen dingen aanlopen,
  • bij volwassenen: rijproblemen, mobiliteitsproblemen, navigatieproblemen, oververmoeidheid

To-Do-Tips:

  • Ga samen met je kind een 3D-film bekijken en kijk hoe je kind reageert – Reageert je kind op de driedimensionale animaties zoals andere kinderen of reageert hij of zij eerder onverschillig? Dieptezicht of stereozicht kan (verder) ontwikkeld worden met de juiste behandeling.
  • “Pen-push-up” – Vraag je kind om aandachtig naar het uiteinde van een pen te kijken. Breng de pen dichter en dichter bij het gezicht en vraag je kind wanneer hij de pen dubbel begint te zien. Als het ‘breekpunt’ verder dan 10 centimeter van het gezicht verwijderd is, heeft je kind last met het convergeren van de ogen (convergentie insufficiëntie) en wordt oogsamenwerking te vermoeiend bij het bekijken van nabije voorwerpen. Mensen die voortdurend scheel zien kunnen beide ogen sowieso niet op het uiteinde van de pen richten. In beide gevallen moet hun visuele situatie verder onderzocht en behandeld worden.
  • Vraag je kind of hij/zij de juffrouw soms dubbel ziet – Omdat kinderen bij gebrek aan ervaring niet weten wat ‘normaal zien’ inhoudt, denken ze misschien dat iedereen de juf dubbel ziet. Als je aandachtig de juiste vragen stelt, zeggen ze vaak vanzelf wat er scheelt. Je kan bijvoorbeeld ook vragen of hij/zij de tekst soms ziet bewegen of dubbel ziet tijdens het lezen.
  • Probeert je kind kost wat kost schoolwerk te vermijden? Heeft je kind moeite om visueel intensieve activiteiten met een korte kijkafstand vol te houden? –
    In geval van oogsamenwerkingsproblemen zijn de behaalde schoolresultaten vaak geen goede indicator van de intelligentie van het kind. Kinderen met binoculaire lees- en leerproblemen zijn in de omgang vaak intelligenter dan hun schoolresultaten doen uitschijnen. Vaak kunnen ze verbaal op vragen antwoorden maar beschikken ze niet over het visuele uithoudingsvermogen om een toets af te werken of zelfs maar te lezen. Het is absoluut noodzakelijk dat de oogsamenwerking en visuele functionaliteit van die kinderen wordt getest en behandeld zodat ze zonder barrières kunnen participeren en doorgroeien in het schoolsysteem.

3. Oog-handcoördinatie

Oogsamenwerkingsproblemen en dieptezichtproblemen gaan vaak gepaard met bemoeilijkte oog-handcoördinatie. Onder oog-handcoördinatie wordt hier verstaan het geïntegreerd samenwerken van de ogen en de hand(en) als één leer-instrument.

Indien zich hierbij problemen voordoen, zal het kind vaak een beroep doen op zijn hand(en) als ondersteuning bij het ontdekken en onderzoeken (‘betasten’) van nieuwe dingen, terwijl andere kinderen die dingen voornamelijk ‘bekijken’.

Een kind met deze problemen zal bijvoorbeeld moeilijk binnen de lijnen kunnen kleuren, en het handschrift zal er onverzorgd en onregelmatig uitzien.

Observaties

Uitingen van problemen met de oog-handcoördinatie kunnen zijn :

  • ondersteuning van de handen (betasten) is nodig bij het visueel beoordelen van aangeboden materiaal
  • de ogen niet gebruiken om de hand(en) te besturen
  • gebroken handschrift met weinig ruimte tussen de woorden
  • niet tussen de lijnen schrijven
  • bij het rekenen de cijfers/getallen niet recht naast en onder elkaar zetten
  • een vinger, liniaal of ander hulpmiddel gebruiken om de plaats op de bladzijde te onthouden
  • (herhaaldelijk) rechts en links door elkaar halen (lateraliteitsbesef)

4. Niet scherp zien op verschillende kijkafstanden door slechte lensafstelling

Scherp zien op verschillende afstanden is mogelijk doordat bij verandering van de kijkafstand de ooglens meer wordt gekromd (dichterbij kijken) of meer wordt afgeplat (verder weg kijken). Dit gebeurt door het samentrekken of ontspannen van de ciliaire spier. Dit proces heet visuele accommodatie.

Observaties

Indien dichtbij wél goed wordt gezien, maar veraf niet, is er sprake van bijziendheid. Indien veraf wél goed wordt gezien, maar dichtbij niet, is er sprake van verziendheid. In de dagelijkse omgang zal verziendheid minder opvallend zijn dan bijziendheid omdat verzienden vaak met extra inspanning toch tijdelijk ook dichtbij scherp kunnen zien. De verziendheid zal zich dan meer uiten door klachten over visueel ongemak (vermoeide ogen, dubbel zien, hoofdpijn, …) dan over wazig zien. Dit is ook één van de redenen dat verziendheid vaak te laat wordt opgemerkt.

Als lensafstellingsproblemen, en in het bijzonder verziendheid, niet op tijd worden opgemerkt, zal dit een weerslag hebben op het visueel functioneren en de oogsamenwerking. Dit kan op termijn zelfs leiden tot accommodatief scheelzien en/of lui oog. De onnauwkeurigheden die dan ontstaan bij het opnemen van visuele informatie bemoeilijken de vergelijking en integratie van visuele informatie met informatie die via het gehoor of de tastzin is verkregen. Het duidelijkste signaal in dit verband is dat het kind nabij-taken of veraf-taken zal proberen te weigeren of te negeren. 

5. Visuele informatieverwerkingsmoeilijkheden

Als er visuele verwarring optreedt door gebrekkige motorisch-zintuiglijke vaardigheden en zwakke oogsamenwerking, loopt vaak ook de verwerking van visuele informatie moeizaam. Een visuele waarneming hoort te leiden tot de daarbij behorende begripsvorming. Daarbij kunnen zich problemen voordoen voor wat betreft vormbegrip, onderscheiden van hoofd- en bijzaken, aanvullen of vervolledigen van de visuele informatie, bepalen van de juiste volgorde van delen van de informatie.

Observaties

Problemen op dit vlak kunnen zijn:

  • verwarren van letters die op elkaar lijken (b/d/p, u/v)
  • verwarren van woorden met eenzelfde begin- of eindletter
  • de neiging hebben om andere zintuigen (gehoor/spraak, tastzin) te gebruiken bij het beoordelen/onderscheiden van dingen, wat normaal gebeurt via visuele waarneming
  • moeilijkheden bij het herkennen van eenzelfde woord op de bladzijde
  • neiging tot algemeniseren bij sorteren/indelen
  • moeilijkheden met leren lezen
  • lezen van woord-na-woord afzonderlijk
  • omkeren van letters en verplaatsen van lettergroepen
  • geen goede organisatie van de bezigheden of van het materiaal waarmee wordt gewerkt
  • zwak in spelling
  • negeren van links-rechts
  • problemen bij het ordenen/indelen van visuele informatie
  • moeilijkheden met taken die in verschillende stappen moeten worden uitgevoerd
  • negeren van details bij het uitvoeren van visuele taken
  • er wordt geen onderling verband gelegd tussen deeltaken
  • onvolledige afwerking van (deel)taken
  • traag in vergelijking met klasgenoten
  • ‘begrijpend’ lezen levert moeilijkheden op

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*